ECLI:NL:CRVB:2012:BW1977
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- J. Riphagen
- J.J.T. van den Corput
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit Ziektewet weigering uitkering na beëindiging dienstverband tijdens ziekte
Appellant was sinds 1990 in dienst bij een werkgever en meldde zich in februari 2008 ziek wegens hartklachten. In februari 2009 werd een vaststellingsovereenkomst gesloten waarin het dienstverband per 1 juli 2009 werd beëindigd vanwege een reorganisatie met toepassing van het afspiegelingsbeginsel en een vergoeding volgens de kantonrechtersformule.
Na het einde van het dienstverband vroeg appellant een Ziektewetuitkering aan, die door het UWV werd geweigerd omdat hij tijdens ziekte instemde met beëindiging van het dienstverband, wat volgens het UWV een benadelingshandeling opleverde. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat het opzegverbod tijdens ziekte van toepassing was en appellant een benadelingshandeling had gepleegd.
In hoger beroep oordeelt de Raad dat het oordeel van de rechtbank dat de uitzondering van artikel 7:670b BW niet van toepassing is, juist is. Echter, gezien de instemming van vakbonden met het sociaal plan, correcte toepassing van het afspiegelingsbeginsel, naleving van de opzegtermijn en vergoeding volgens de kantonrechtersformule, is de kans dat een kantonrechter het ontbindingsverzoek zou afwijzen verwaarloosbaar klein.
Daarom kan niet worden gesproken van een benadelingshandeling. De Raad vernietigt het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank, verklaart het beroep gegrond en beveelt het UWV een nieuw besluit te nemen. Tevens veroordeelt de Raad het UWV in de proceskosten en vergoedt het griffierecht.
Uitkomst: Het bestreden besluit wordt vernietigd en het UWV dient een nieuw besluit te nemen.