ECLI:NL:CRVB:2017:4125
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Verhoging persoonsgebonden budget 2015 op grond van budgetgarantie AWBZ
Appellant, geïndiceerd voor een zorgzwaartepakket op grond van de AWBZ, ontving vanaf oktober 2011 een persoonsgebonden budget (pgb). Het Zorgkantoor verleende hem aanvankelijk een pgb zonder budgetgarantie, waarna later een budgetgarantie werd toegekend vanaf 11 november 2011. Voor 2015 verleende het Zorgkantoor een pgb zonder de budgetgarantie van 100,74%, waarop appellant bezwaar maakte.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond omdat appellant niet zou voldoen aan de voorwaarden van artikel 5.15, eerste lid, aanhef en onder a, van de Regeling langdurige zorg (Rlz), omdat het pgb niet bij de eerste verlening was opgehoogd met een budgetgarantie. In hoger beroep stelde appellant dat het besluit van 30 november 2011, waarin het eerdere besluit van 22 oktober 2011 verviel, het eerste besluit was waarbij het pgb met budgetgarantie werd toegekend.
De Raad oordeelde dat de eerste subsidieperiode bepalend is voor de eerste verlening en dat het besluit van 30 november 2011 met budgetgarantie voor de periode 1 oktober tot en met 31 december 2011 geldt als eerste verlening. Daarmee voldeed appellant aan de voorwaarden van artikel 5.15 Rlz. Het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank werden vernietigd. De Raad bepaalde zelf dat het pgb voor 2015 wordt opgehoogd tot 100,74% van het pgb van de voorgaande subsidieperiode en veroordeelde het Zorgkantoor in de proceskosten.
Uitkomst: Het pgb voor 2015 wordt opgehoogd tot 100,74% van het pgb van de voorgaande subsidieperiode.