ECLI:NL:CRVB:2017:4187
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellant was werkzaam tot eind 2011 en meldde zich ziek wegens knieklachten. Het UWV kende aanvankelijk een IVA-uitkering toe, maar stopte deze na een fraudemelding en herbeoordeling. Verzekeringsartsen en arbeidsdeskundigen concludeerden dat appellant slechts 4,6% arbeidsongeschikt was. Het UWV trok de uitkering in en eiste terugbetaling.
De rechtbank vernietigde dit besluit wegens onvoldoende motivering en kende appellant alsnog een WIA-uitkering toe vanaf september 2014. Het UWV ging in hoger beroep tegen deze uitspraak. Appellant stelde dat hij volledig arbeidsongeschikt was en bracht nieuwe medische stukken in, waaronder brieven van specialisten en een attest arbeidsongeschiktheid.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de medische beoordeling van het UWV zorgvuldig was uitgevoerd, inclusief lichamelijk onderzoek en dossierstudie. De nieuwe medische stukken waren niet overtuigend en betroffen een latere datum dan de peildatum. Ook het feit dat appellant een knieoperatie zou ondergaan, bracht geen verandering in de beoordeling.
De Raad bevestigde dat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt was en dat de geselecteerde functies passend waren. Er was geen aanleiding tot benoeming van een onafhankelijk deskundige. Het hoger beroep werd verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werden geen proceskosten toegewezen.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellant geen WIA-uitkering krijgt omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt is.