Uitspraak
7 december 2015, 15/4392 (aangevallen uitspraak)
mr. W.J.M.H. Lagerwaard. Werkneemster is niet verschenen.
Centrale Raad van Beroep
Appellante, een eigenrisicodrager in de Ziektewet, betaalde ziekengeld aan werkneemster die zich ziek meldde met gewrichtsklachten. Na een eerstejaars ZW-beoordeling stelde het UWV vast dat werkneemster meer dan 65% van haar maatmaninkomen kon verdienen, waardoor het recht op ziekengeld werd beëindigd per 15 februari 2015. Werkneemster maakte bezwaar, waarna het UWV het bezwaar gegrond verklaarde en een uitlooptermijn tot 12 juni 2015 toekende, omdat nieuwe functies waren geselecteerd die niet eerder aan haar waren voorgehouden.
Appellante stelde dat deze uitlooptermijn onterecht was omdat de vaste rechtspraak over uitlooptermijnen bij WAO/WIA-uitkeringen niet van toepassing zou zijn op ZW-uitkeringen. De rechtbank wees dit bezwaar af en de Centrale Raad bevestigde dit oordeel. De Raad oordeelde dat ook bij een gewijzigde functieduiding in bezwaar een uitlooptermijn noodzakelijk is om de werknemer de gelegenheid te geven zich aan te passen aan de nieuwe situatie.
De Raad benadrukte dat het zorgvuldigheidsbeginsel vereist dat de werknemer tijd krijgt om zich te oriënteren op andere arbeid, ook als dit betekent dat de eigenrisicodrager langer ziekengeld moet betalen. De memorie van toelichting en de systematiek van de ZW ondersteunen deze benadering. De Centrale Raad verklaarde het hoger beroep ongegrond en bevestigde de uitspraak van de rechtbank.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitlooptermijn tot 12 juni 2015 wordt bevestigd.