ECLI:NL:CRVB:2017:4236
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering en terugvordering onverschuldigde voorschotten
Appellant heeft op 13 augustus 2013 een WIA-uitkering aangevraagd en een voorschot ontvangen. Het UWV stelde bij besluit van 14 november 2013 vast dat appellant vanaf 8 juli 2013 geen recht had op de WIA-uitkering en beëindigde het voorschot. Vervolgens vorderde het UWV het onverschuldigd betaalde voorschot van €7.695,15 terug.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en oordeelde dat het UWV terecht het voorschot terugvorderde, omdat geen dringende redenen waren om van terugvordering af te zien. Appellant ging hiertegen in hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep.
De Raad onderschreef het oordeel van de rechtbank dat appellant geen recht heeft op de WIA-uitkering en bevestigde dat het UWV verplicht was het voorschot terug te vorderen. Dringende redenen om van terugvordering af te zien ontbraken, omdat appellant geen concrete gegevens over onaanvaardbare sociale of financiële gevolgen had overgelegd.
De Raad verklaarde het hoger beroep ongegrond en bevestigde de aangevallen uitspraak. Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in de proceskosten.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de terugvordering van onverschuldigde WIA-voorschotten wordt bevestigd.