Appellante ontving een WIA-uitkering sinds 2008 en hervatte in 2009 werkzaamheden van twee lesuren per week bij haar werkgeefster. Vanaf 1 mei 2011 werd de uitkering door het UWV betaald, nadat de werkgeefster het dienstverband beëindigde en opnieuw aanstelde voor twee lesuren per week. Appellante meldde dit nieuwe dienstverband niet aan het UWV, waardoor zij een te hoge WIA-uitkering ontving.
Het UWV herzag de uitkering en vorderde het te veel betaalde bedrag terug, en legde een boete op wegens schending van de inlichtingenplicht. Appellante maakte bezwaar en stelde beroep in tegen de herziening en boete. De rechtbank verklaarde het beroep tegen de herziening ongegrond en stelde de boete passend op € 390.
In hoger beroep handhaafde appellante haar standpunt dat zij haar inlichtingenplicht niet had geschonden, omdat de werkzaamheden niet leidden tot wijziging van haar arbeidsongeschiktheidspercentage en het UWV hiervan op de hoogte was. De Raad oordeelde dat appellante onvolledige informatie had verstrekt, maar gezien de geringe verwijtbaarheid en omstandigheden waaronder de overtreding plaatsvond, werd de boete vernietigd. De herziening en terugvordering van de uitkering bleven gehandhaafd.
De Raad veroordeelde het UWV tot vergoeding van de proceskosten van appellante. De uitspraak bevestigt de plicht tot correcte informatieverstrekking aan het UWV en nuanceert de toepassing van boetes bij geringe verwijtbaarheid.