Appellant stelde hoger beroep in tegen een beslissing van het UWV inzake een Wajong-uitkering. Tijdens de procedure heeft het UWV een gewijzigde beslissing op bezwaar genomen waarbij volledig aan de bezwaren van appellant is tegemoetgekomen. Hierdoor heeft appellant het hoger beroep ingetrokken.
De Centrale Raad van Beroep heeft het UWV veroordeeld tot vergoeding van de gederfde wettelijke rente over de na te betalen Wajong-uitkering en tot vergoeding van schade wegens misgelopen heffingskorting voor jonggehandicapten over de jaren 2009 tot en met 2011. Voor de jaren 2012 tot en met 2015 is vergoeding afgewezen omdat appellant eerst fiscale mogelijkheden moet benutten.
Daarnaast is het UWV veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten in hoger beroep, waaronder kosten voor rechtsbijstand en een psychologisch rapport. De Staat is veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn, vastgesteld op €3.500. Verzoeken om schadevergoeding voor andere jaren en tegemoetkomingen zijn afgewezen wegens onvoldoende vaststelling van schade.