Appellant was in dienst bij een werkgever die failliet werd verklaard op 19 maart 2013. Na beëindiging van het dienstverband vroeg appellant het UWV om overname van betalingsverplichtingen, waaronder vergoeding van niet-genoten vakantiedagen. Het UWV stelde een faillissementsuitkering vast, maar hield het werkgeversdeel van de pensioenpremie buiten beschouwing. Appellant maakte bezwaar en stelde dat het aantal niet-genoten vakantiedagen en het loon waarover werd uitgekeerd onjuist waren berekend, en dat het werkgeversdeel van de pensioenpremie moest worden meegenomen.
De rechtbank verklaarde het bezwaar ongegrond. In hoger beroep stelde appellant dat hij recht had op het volledige aantal vakantiedagen en dat het werkgeversdeel van de pensioenpremie onderdeel uitmaakt van het loon, zoals ook bevestigd door jurisprudentie van het HvJEU. Het UWV voerde aan dat het aantal vakantiedagen juist was vastgesteld en dat het werkgeversdeel pensioenpremie niet tot het loon behoort omdat het een bijdrage aan het pensioenfonds is.
De Raad oordeelde dat het UWV niet gebonden is aan het verstekvonnis van de rechtbank Gelderland en dat het aantal niet-genoten vakantiedagen op goede gronden was vastgesteld. Wel stelde de Raad vast dat het werkgeversdeel van de pensioenpremie onderdeel uitmaakt van het loon en dus meegenomen moet worden in de uitkering. De Raad vernietigde het besluit van het UWV en droeg het op een nieuw besluit te nemen. Tevens kende de Raad appellant een vergoeding toe wegens overschrijding van de redelijke termijn en veroordeelde het UWV in de proceskosten.