ECLI:NL:CRVB:2017:4280
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstand en boete wegens niet gemelde handelsactiviteiten
Appellanten ontvingen bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) sinds 1 januari 2011. Naar aanleiding van een tip startte de gemeente een onderzoek naar de rechtmatigheid van de bijstand, waarbij werd vastgesteld dat appellanten meerdere malen marktkramen huurden om lp’s en kleding te verkopen, wat niet was gemeld.
Het college trok de bijstand met ingang van 30 december 2013 in en vorderde €3.100,41 terug wegens onrechtmatig genoten bijstand. Tevens werd een boete van €150 opgelegd wegens schending van de inlichtingenverplichting. De rechtbank verklaarde het beroep tegen de boete gegrond, maar liet de overige rechtsgevolgen in stand.
In hoger beroep stelde de Raad vast dat er geen sprake was van incidentele verkoop van privégoederen, maar van handel, waardoor appellanten de inlichtingenverplichting schonden. De medische omstandigheden van appellanten leidden niet tot het ontbreken van verwijtbaarheid. De Raad bevestigde daarom het bestreden besluit en wees het verzoek tot schadevergoeding af.
De Raad concludeert dat het college terecht de bijstand introk en de boete oplegde, en dat de boete proportioneel is. Er bestaat geen aanleiding tot vergoeding van proceskosten. De uitspraak werd gedaan door een meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 28 november 2017.
Uitkomst: De intrekking van bijstand en oplegging van een boete wegens niet gemelde handelsactiviteiten worden bevestigd.