ECLI:NL:CRVB:2017:4282
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Herziening en terugvordering bijstand wegens niet gemelde bankstortingen
Appellant ontvangt sinds 2012 bijstand en werd onderzocht nadat hij werd aangetroffen werkend te zijn. Uit het onderzoek bleek dat tussen mei 2012 en februari 2015 ruim honderd bedragen van derden op zijn bankrekening waren bijgeschreven zonder melding hiervan aan het college. Het college besloot daarom de bijstand over die periode te herzien en €11.090,68 terug te vorderen. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, omdat hij niet aannemelijk had gemaakt dat de stortingen eigen geld waren en de inlichtingenverplichting was geschonden.
In hoger beroep voerde appellant aan dat het geldleningen betrof die hij contant aan zijn buurman gaf en later weer op zijn rekening stortte om lopende verplichtingen te voldoen. Hij stelde dat de stortingen dus geen inkomsten waren en dat zijn financiële situatie slecht bleef. De Raad concludeert echter dat appellant onvoldoende bewijs heeft geleverd voor deze stelling en dat de rechtbank de zaak gemotiveerd heeft beoordeeld.
De Raad oordeelt dat het college terecht de stortingen als inkomsten heeft aangemerkt en dat de schending van de inlichtingenverplichting gerechtvaardigd is. De enkele acceptatie van enkele transacties door het college doet hieraan niet af. Het hoger beroep wordt verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de terugvordering van €11.090,68 bevestigd.