ECLI:NL:CRVB:2017:4285
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging OV-schuld wegens niet tijdig stopzetten studentenreisproduct na diefstal OV-chipkaart
Appellant beëindigde zijn studiefinanciering per 1 september 2015 en kreeg daaropvolgend bericht dat hij ook het studentenreisproduct zelf moest stopzetten bij een ophaalautomaat. Na melding van diefstal van zijn OV-chipkaart op 29 mei 2015 vroeg appellant geen vervangende kaart aan en stopte het reisproduct pas op 8 maart 2016. Hierdoor ontstond een OV-schuld van €291,- over februari en de eerste helft van maart 2016.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en stelde vast dat het reisrecht pas op de wettelijk voorgeschreven wijze kan worden beëindigd, hetgeen niet gebeurde. Appellant voerde in hoger beroep aan dat het blokkeren van de kaart voldoende was en dat de procedure gewijzigd was, maar de Raad oordeelde dat de gewijzigde procedure dit niet verandert en dat het reisrecht pas eindigt bij stopzetting via de vervoersbedrijven.
De Raad vond geen bijzondere omstandigheden of onbillijkheid van overwegende aard die toepassing van de hardheidsclausule rechtvaardigen. Ook de verwarring die de Nationale Ombudsman signaleerde, leidt niet tot vrijstelling van de OV-schuld. De Raad bevestigde daarom de eerdere uitspraak en wees het hoger beroep af.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de OV-schuld van €291,- wegens niet tijdig stopzetten van het studentenreisproduct.