Appellant, die als sales engineer werkte, meldde zich ziek met psychische klachten en vroeg een WIA-uitkering aan. Het UWV stelde aanvankelijk de mate van arbeidsongeschiktheid vast op 54,48%, later bij bezwaar op 59,92%. De rechtbank verklaarde het bezwaar gegrond en vernietigde het besluit omdat het UWV onvoldoende rekening had gehouden met de door appellant ingebrachte psychiatrische expertise.
Het UWV nam vervolgens een nader besluit waarbij de arbeidsongeschiktheid op 55,02% werd vastgesteld. Appellant stelde zich op het standpunt dat hij volledig arbeidsongeschikt was, maar dit werd door de Raad verworpen op basis van medische gegevens en deskundigenrapporten. De Raad bevestigde dat drie functies geschikt waren voor appellant en stelde het arbeidsongeschiktheidspercentage vast op 62,49%, wat een wijziging van de rechtspositie betekende.
De Raad vernietigde het besluit van 11 november 2015 voor zover het de mate van arbeidsongeschiktheid op 55,02% vaststelde en herroept het primaire besluit van 3 juni 2013 in zoverre. Tevens werd appellant een schadevergoeding van €1.000 toegekend wegens overschrijding van de redelijke termijn en werd het UWV veroordeeld in de proceskosten en het griffierecht.