ECLI:NL:CRVB:2017:4401
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid
Appellante, werkzaam als schoonmaakster en met een WW-uitkering, meldde zich ziek vanwege lichamelijke en psychische klachten en vroeg een WIA-uitkering aan. Het UWV stelde na onderzoek vast dat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt was en wees de uitkering af. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat de medische en arbeidskundige rapporten voldoende onderbouwing boden voor het oordeel van het UWV.
In hoger beroep voerde appellante aan dat haar beperkingen onvoldoende waren meegewogen, met name haar slaap- en vermoeidheidsklachten, en dat de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) onjuist was. De Raad volgde dit niet en oordeelde dat de rechtbank en het UWV terecht de medische gegevens en rapporten van de behandelend sector als bevestiging van het oordeel van de verzekeringsarts hadden beschouwd.
De Raad wees ook het verzoek af om een onafhankelijke deskundige te benoemen, omdat er geen aanwijzingen waren voor een schending van het gelijkheidsbeginsel of onpartijdigheid. Gezien de mate van arbeidsongeschiktheid onder de 35% is het besluit van het UWV om geen WIA-uitkering toe te kennen terecht. De aangevallen uitspraak werd bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellante geen recht heeft op een WIA-uitkering omdat haar arbeidsongeschiktheid minder dan 35% bedraagt.