ECLI:NL:CRVB:2017:4451
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- A.B.J. van der Ham
- P.W. van Straalen
- J.T.H. Zimmerman
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens niet gemelde werkzaamheden als vennoot en directeur
Appellant ontving bijstand van februari 2011 tot en met januari 2012 en daarna een inkomensvoorziening. Naar aanleiding van een signaal van de Belastingdienst over een bedrijfsautobus startte de gemeente Den Haag een onderzoek. Appellant verscheen niet op een eerste gesprek, waarna de bijstand werd opgeschort en later ingetrokken. Uit onderzoek bleek dat appellant sinds juni 2011 vennoot was van een vennootschap onder firma en vanaf januari 2014 algemeen directeur van een eenmanszaak, zonder dit te melden.
Het college besloot de bijstand over de periode juni 2011 tot januari 2015 in te trekken en de kosten van bijstand terug te vorderen, inclusief een brutering voor belasting en premies. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond. In hoger beroep voerde appellant aan dat hij was geadviseerd door een consulent en dat het vertrouwensbeginsel van toepassing zou zijn, maar dit werd verworpen omdat geen ondubbelzinnige toezeggingen waren gedaan en appellant zijn werkzaamheden niet had gemeld.
De Raad oordeelde dat appellant zijn wettelijke inlichtingenplicht had geschonden en dat het college terecht de bijstand had ingetrokken en teruggevorderd. Appellant slaagde er niet in aannemelijk te maken dat hij recht had op bijstand over de periode. Ook het beroep op disproportionaliteit van de terugvordering faalde. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit tot intrekking en terugvordering van bijstand wordt bevestigd.