ECLI:NL:CRVB:2017:4487

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
22 december 2017
Publicatiedatum
9 januari 2018
Zaaknummer
16/834 WIA
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid

Appellante was werkzaam als postbezorger en viel uit wegens diverse klachten. Het UWV stelde na medisch en arbeidskundig onderzoek vast dat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt was en weigerde een WIA-uitkering. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, stellende dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en de beperkingen niet werden onderschat.

In hoger beroep voerde appellante aan dat het medisch onderzoek onzorgvuldig was, onder meer omdat een brief van een medisch specialist niet was betrokken en niet alle beperkingen waren overgenomen in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML). Het UWV verwees naar uitgebreide rapportages van verzekeringsartsen die de beperkingen inzichtelijk maakten.

De Raad oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was, waarbij rekening werd gehouden met diagnoses als fibromyalgie en somatoforme stoornis. Niet alle beperkingen uit het rapport zijn in de FML opgenomen, maar dat leidt niet tot een onjuiste beoordeling. Er is geen objectieve oorzaak voor de klachten gevonden die tot meer beperkingen leiden. De Raad bevestigt dat appellante de geselecteerde functies kan vervullen en verklaart het hoger beroep ongegrond.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid.

Uitspraak

16/834 WIA
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 10 december 2015, 15/4497 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 22 december 2017
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. A.C.R. Molenaar, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting in de zaken heeft gevoegd met 16/161 WAO plaatsgevonden op
10 november 2017. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Molenaar. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W.P.F. Oosterbos. Na de zitting zijn de zaken gesplitst.

OVERWEGINGEN

1. Appellante is voor 8 tot 10 uur per week werkzaam geweest als postbezorger. Op 10 januari 2013 is zij wegens diverse klachten (algehele malaise, spier-, gewrichts- en buikklachten) voor dit werk uitgevallen.
1.2.
Bij besluit van 23 december 2014 heeft het Uwv, na verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek, vastgesteld dat voor appellante geen recht op een uitkering op grond van de Wet WIA is ontstaan, omdat zij met ingang van 8 januari 2015 minder dan 35% arbeidsongeschikt was. Bij besluit van 29 mei 2015 (bestreden besluit) heeft het Uwv, onder verwijzing naar de rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 15 april 2015 en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 28 mei 2015, het bezwaar van appellante ongegrond verklaard. Dit besluit berust op het standpunt dat appellante verminderd belastbaar is, maar met inachtneming van de voor haar vastgestelde beperkingen in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 5 december 2014 in staat is de voor haar door de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep geselecteerde functies te vervullen. De mate van arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op 0%.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het door appellante tegen het bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat het medisch onderzoek op zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden. De verzekeringsarts bezwaar en beroep was volgens de rechtbank niet gehouden om nadere informatie bij de behandelaars van appellante op te vragen. Verder moet volgens de rechtbank worden aangenomen dat niet te geringe beperkingen zijn vastgesteld. De door appellante in beroep overgelegde informatie geeft geen aanleiding om te twijfelen aan de voor haar vastgestelde belastbaarheid. De rechtbank heeft voorts overwogen er voldoende van overtuigd te zijn dat de belastbaarheid van appellante als neergelegd in de FML van 5 december 2014 in de door de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep geselecteerde functies niet wordt overschreden.
3.1.
In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat het bestreden besluit berust op onzorgvuldig medisch onderzoek, omdat de brief van de mdl-arts van 3 november 2014 niet door de verzekeringsartsen bij het medisch onderzoek is betrokken. Ten onrechte is door het Uwv geen informatie ingewonnen bij reumatoloog dr. I.M.C. Appels die de pijnklachten in verband brengt met fibromyalgie, gerelateerd aan hepatitis C. De verzekeringsartsen hebben slechts deels de door de bedrijfsarts aangenomen beperkingen overgenomen. Zij hadden ook de overige door hem gestelde beperkingen moeten overnemen. Appellante heeft tevens aangevoerd dat niet alle door de verzekeringsarts in zijn rapport genoemde beperkingen zijn terug te vinden in de FML. Ter onderbouwing van haar standpunt heeft zij informatie van de huisarts, van de GGZ en van de mdl-arts overgelegd.
3.2.
Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit. In reactie op de door appellante overgelegde medische stukken, heeft het Uwv verwezen naar rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 2 maart en 6 juni 2016.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het medisch onderzoek zorgvuldig is geweest. De verzekeringsarts heeft het dossier bestudeerd met onder andere informatie van de GGZ, neuroloog, internist, radioloog, huisarts, fysiotherapeut en mdl-arts. Hij heeft bij appellante het dagverhaal uitgevraagd, haar psychisch onderzocht en overlegd met de bedrijfsarts. Voorts is informatie bij de GGZ opgevraagd. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft het dossier bestudeerd. Uit de rapporten van de verzekeringsartsen blijkt dat zij zijn uitgegaan van de door de behandelend artsen gestelde diagnoses fibromyalgie, hepatitis C en somatoforme pijnstoornis.
4.2.
De verzekeringsartsen hebben vervolgens inzichtelijk en overtuigend gerapporteerd tot welke beperkingen in de FML dit leidt. In de FML zijn zowel op psychisch als op somatisch gebied beperkingen opgenomen. Ook is er rekening mee gehouden dat appellante aangewezen is op regelmatige werktijden en niet ’s avonds en ’s nachts kan werken. Dat niet alle door de verzekeringsarts in zijn rapport genoemde beperkingen in de FML zijn opgenomen leidt niet tot de conclusie dat de FML niet juist is. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft immers in zijn rapport van 15 april 2015 gesteld dat er ruim rekening is gehouden met de fysieke en psychische klachten van appellante. Uit de informatie van de behandelaars blijkt evenmin dat op de datum in geding sprake is van meer beperkingen. De mdl-arts meldt immers in zijn brief van 29 april 2014 dat er geen aanwijzingen zijn voor fibrose of cirrose en dat de klachten van appellante niet direct te relateren zijn aan de hepatitis C. De psycholoog schrijft in haar brief van 27 november 2014 dat appellante lijdt aan een somatoforme stoornis. Over de stelling van appellante dat alle door de bedrijfsarts genoemde beperkingen door het Uwv moeten worden overgenomen, kan er niet aan worden voorbijgegaan dat de beoordeling door de bedrijfsarts geschiedt met een ander doel dan een arbeidsongeschiktheidsbeoordeling. Bovendien was ook de bedrijfsarts van oordeel dat appellante wel mogelijkheden heeft op de arbeidsmarkt. De door appellante in hoger beroep ingebrachte medische informatie leidt niet tot een ander oordeel over de FML. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in zijn rapporten van
2 maart en 6 juni 2016, waarbij hij ook is ingegaan op de brief van de mdl-arts van
3 november 2014, toegelicht dat er geen objectieve oorzaak is voor de vermoeidheids- en pijnklachten van appellante. Met deze klachten kan dan ook (verder) geen rekening worden gehouden.
4.3.
De rechtbank heeft eveneens terecht geoordeeld dat appellante in staat moet worden geacht de geselecteerde functies te vervullen.
4.4.
Het hoger beroep slaagt dus niet.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J.P.M. Zeijen als voorzitter en I.M.J. Hilhorst-Hagen en
D. Hardonk-Prins als leden, in tegenwoordigheid van L.H.J. van Haarlem als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 december 2017.
(getekend) J.P.M. Zeijen
(getekend) L.H.J. van Haarlem

KS