In deze zaak stond de intrekking van de verleningsbeschikking voor het persoonsgebonden budget (pgb) over het jaar 2014 centraal, alsmede de terugvordering van het betaalde bedrag. De Raad had eerder een tussenuitspraak gedaan waarin werd vastgesteld dat het besluit niet deugdelijk was gemotiveerd. Het Zorgkantoor kreeg de gelegenheid dit te herstellen, maar heeft dit niet adequaat gedaan.
Het Zorgkantoor baseerde de intrekking op het ontbreken van een geldige zorgovereenkomst over de periode van 1 januari 2013 tot en met 30 juni 2013, en ging ervan uit dat de situatie in 2014 niet was veranderd. De Raad oordeelde echter dat dit onvoldoende is om de intrekking voor 2014 te rechtvaardigen, omdat niet is onderzocht of appellante de verplichtingen voor 2014 heeft geschonden.
De Raad bevestigde de eerdere uitspraak voor zover die betrekking had op de verantwoording over de eerste helft van 2013, maar vernietigde de beslissing over 2014. Het beroep van appellante werd gegrond verklaard, het besluit van 19 mei 2014 vernietigd en het besluit van 3 april 2014 herroepen. Tevens werd het Zorgkantoor veroordeeld in de proceskosten van appellante.