ECLI:NL:CRVB:2017:505
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verantwoordingsplicht persoonsgebonden budget wegens onvoldoende AWBZ-zorg
Appellante ontving voor 2013 een persoonsgebonden budget (pgb) voor individuele begeleiding op grond van de AWBZ. Na indiening van een verantwoordingsformulier over de eerste helft van 2013 keurde het Zorgkantoor de verantwoording af, omdat niet kon worden vastgesteld dat de geleverde zorg volledig onder de AWBZ viel.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond. In hoger beroep stelde appellante dat de zorg grotendeels AWBZ-begeleiding betrof en dat zij vertrouwde op de juiste besteding door de zorgverlener. De Raad oordeelde echter dat de beoordeling zich uitsluitend richt op de vraag of de verantwoordde zorg voldoet aan de AWBZ-definitie volgens de Regeling subsidies AWBZ.
De Raad concludeerde dat uit de overgelegde stukken bleek dat een deel van de zorg geen AWBZ-zorg was en dat voor het overige deel onvoldoende concrete aanwijzingen waren om vast te stellen dat het om AWBZ-zorg ging. Daarom was het Zorgkantoor terecht afgekeurd. Het hoger beroep werd verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het Zorgkantoor de verantwoording van het pgb terecht heeft afgekeurd wegens onvoldoende bewijs dat de verleende zorg AWBZ-zorg betrof.