ECLI:NL:CRVB:2017:567
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging van afwijzing WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellante, werkzaam voor 20 uur per week, meldde zich op 4 juni 2012 ziek wegens psychische klachten. Het UWV kende haar aanvankelijk een Ziektewetuitkering toe, maar stelde later vast dat zij geschikt was voor haar maatgevende werkzaamheden en beëindigde de uitkering. Appellante maakte bezwaar tegen deze besluiten, maar deze werden door het UWV en de rechtbank ongegrond verklaard.
In hoger beroep heeft de Centrale Raad van Beroep de overwegingen van de rechtbank onderschreven. Er zijn geen nieuwe medische gegevens ingebracht die aanleiding geven tot een ander oordeel. De Raad concludeert dat appellante geen onafgebroken periode van 104 weken arbeidsongeschiktheid heeft gehad, een vereiste voor aanspraak op een WIA-uitkering.
De medische rapportages van verzekeringsartsen en arbeidsdeskundigen zijn zorgvuldig en uitgebreid, waarbij ook de bevindingen van de huisarts en psycholoog zijn betrokken. De Raad wijst het verzoek van appellante af om een onafhankelijk deskundige in te schakelen, omdat de psycholoog onvoldoende feitelijke onderzoeksbevindingen heeft aangeleverd.
De Raad bevestigt tevens dat het UWV terecht geen rekening hoefde te houden met een ziekteverzuimrisico zonder concrete medische onderbouwing. De late besluitvorming van het UWV leidt niet tot gevolgen voor appellante. De aangevallen uitspraken worden bevestigd en er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellante geen recht heeft op een WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid.