Uitspraak
OVERWEGINGEN
.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Centrale Raad van Beroep
Appellant, een gehuwde AOW-gerechtigde, verzocht om toepassing van de twee-woningenregel, omdat hij en zijn echtgenote elk een eigen woning hebben en volledig zelfstandig de kosten dragen. De Sociale Verzekeringsbank (Svb) wees dit verzoek af, omdat de regel alleen voor ongehuwden geldt. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en appellant ging in hoger beroep.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de twee-woningenregel uitsluitend ziet op ongehuwde samenwonenden, omdat het begrip gezamenlijke huishouding in de AOW voor gehuwden anders wordt ingevuld en het hoofdverblijf in dezelfde woning niet relevant is. De Raad benadrukte dat het onderscheid tussen gehuwden en ongehuwd samenwonenden gerechtvaardigd is vanwege de bijzondere juridische en sociale band van het huwelijk, waaronder een afdwingbare zorgverplichting.
Verder stelde de Raad vast dat dit onderscheid niet in strijd is met het discriminatieverbod van artikel 14 EVRM Pro, het Twaalfde Protocol bij het EVRM en artikel 26 IVBPR Pro. De wetgever heeft een redelijke en objectieve rechtvaardiging voor het onderscheid, mede gelet op de ruime beoordelingsvrijheid op het terrein van sociale zekerheid. Appellant’s beroep op jurisprudentie van het EHRM en maatschappelijke trends in gelijke behandeling werd verworpen. De aangevallen uitspraak werd bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de twee-woningenregel niet geldt voor gehuwden en wijst het hoger beroep af.