Uitspraak
OVERWEGINGEN
.
Centrale Raad van Beroep
Appellante, eigenaar van haar woning, ontving sinds 2007 bijzondere bijstand in de vorm van een woonkostentoeslag. In 2012 werd haar een nieuwe aanvraag toegekend onder de voorwaarde dat zij naar vermogen moest trachten goedkopere woonruimte te vinden. Appellante heeft deze verplichting niet nagekomen en verklaarde zelfs tijdens een huisbezoek geen acties te ondernemen om de woning te verkopen of goedkopere woonruimte te aanvaarden.
De commissie wees daarop haar aanvraag om bijzondere bijstand af, een besluit dat door de rechtbank werd bevestigd. In hoger beroep voerde appellante aan dat zij op grond van afspraken met haar toenmalige advocaat niet verplicht was goedkopere woonruimte te zoeken, en dat zij al jarenlang woonkostentoeslag ontving, een beroep op het vertrouwensbeginsel.
De Raad verwierp deze gronden omdat de afspraken niet met stukken waren onderbouwd en het opleggen van de verplichting in 2012 in rechte onaantastbaar was geworden. Bovendien had appellante bezwaar moeten maken tegen het besluit van 2012 als zij het er niet mee eens was. De Raad concludeerde dat de extra woonkosten niet langer als noodzakelijke kosten uit bijzondere omstandigheden konden worden aangemerkt en bevestigde de afwijzing van de bijzondere bijstand.
Uitkomst: De afwijzing van de bijzondere bijstand voor woonkostentoeslag wordt bevestigd wegens niet-nakoming van de verplichting om naar goedkopere woonruimte te zoeken.