Uitspraak
2 oktober 2015, 14/3205 (aangevallen uitspraak)
Centrale Raad van Beroep
Appellante was sinds 1993 werkzaam bij de gemeente en werd in 2012 geplaatst in een andere functie. Het college vermoedde dat zij zich onrechtmatig toegang had verschaft tot personeels- en administratiesystemen en startte een onderzoek waarbij een keylogger werd geplaatst en Hoffmann Bedrijfsrecherche werd ingeschakeld.
Op 17 februari 2014 legde appellante een verklaring af waarin zij toegaf mutaties in haar werktijden te hebben doorgevoerd, deels zonder daadwerkelijk gewerkte uren. Het college schorste haar en legde uiteindelijk ontslag op wegens plichtsverzuim. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, oordelend dat het ontslag niet onevenredig was.
In hoger beroep bevestigde de Raad dat er voldoende concrete verdenking was voor schorsing en dat de gedragingen van appellante plichtsverzuim opleverden. De verklaring van 17 februari 2014 werd als betrouwbaar beoordeeld ondanks latere intrekking. Het betoog over toestemming van een leidinggevende werd verworpen. Ook het privacyverweer faalde omdat de verklaring van appellante zelf voldoende bewijs vormde.
De Raad vond het ontslag passend gezien de ernst, duur en bewustheid van het plichtsverzuim, en wees het hoger beroep af. De gedragingen waarbij zij gegevens van collega’s had geraadpleegd bleven buiten beschouwing. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het ontslag van appellante bevestigd.