ECLI:NL:CRVB:2017:81
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstand wegens gezamenlijke huishouding en hoofdverblijf
Appellant ontving bijstand als dak-/thuisloze en werd opgeroepen voor een gesprek in het kader van een onderzoek naar rechtmatigheid. Hij verscheen niet, waarna zijn bijstand werd opgeschort en later ingetrokken omdat hij een gezamenlijke huishouding zou voeren met zijn partner zonder dit te melden.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, wat appellant in hoger beroep aanvocht. De Raad toetste of appellant zijn hoofdverblijf had in de woning van zijn partner, mede gezien de geboorte van een tweeling en het feit dat hij meerdere nachten per week verbleef.
De Raad overwoog dat het criterium van gezamenlijke huishouding geen duurzaamheidsvereiste kent, maar dat tijdelijk verblijf niet volstaat. Gezien de verklaringen, het huisbezoek en de hoeveelheid persoonlijke bezittingen van appellant in de woning van zijn partner, concludeerde de Raad dat sprake was van hoofdverblijf en dus gezamenlijke huishouding.
Het hoger beroep slaagde niet, zodat de intrekking van de bijstand werd bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
Uitkomst: De intrekking van de bijstand wegens gezamenlijke huishouding en hoofdverblijf in de woning van de partner wordt bevestigd.