ECLI:NL:CRVB:2017:898
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid na beëindiging dienstverband op verzoek
Appellante was werkzaam als peuterleidster bij een stichting en heeft haar arbeidsovereenkomst per 1 mei 2014 op eigen verzoek opgezegd vanwege medische redenen. Het UWV heeft haar WW-uitkering geweigerd omdat zij verwijtbaar werkloos is geworden, omdat er geen noodzaak was om het dienstverband te beëindigen en zij niet ziek was gemeld.
De rechtbank heeft deze weigering bevestigd en overwogen dat appellante minder uren had kunnen werken op een andere locatie en dat er geen medische noodzaak was voor beëindiging. In hoger beroep betoogde appellante dat het UWV onzorgvuldig had gehandeld en dat het ontslag in goed overleg was gegaan, mede gebaseerd op een WIA-beoordeling die arbeidsongeschiktheid voor haar functie vaststelde.
De Raad oordeelt dat het UWV zorgvuldig onderzoek heeft verricht en dat het initiatief tot beëindiging van het dienstverband bij appellante lag. Er waren geen zodanige bezwaren dat voortzetting redelijkerwijs niet van haar kon worden gevergd. De medische klachten rechtvaardigden geen beëindiging, mede omdat vermindering van uren mogelijk was. Omdat appellante zich niet ziek heeft gemeld, zijn re-integratiemogelijkheden onbenut gebleven.
De Raad bevestigt de uitspraak van de rechtbank en verklaart het bezwaar ongegrond. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellante verwijtbaar werkloos is geworden en de WW-uitkering terecht is geweigerd.