ECLI:NL:CRVB:2018:1000
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging WIA-uitkering na herbeoordeling vanwege geschiktheid voor maatgevende functie
Appellante meldde zich in 2009 ziek en ontving aanvankelijk geen WIA-uitkering omdat zij haar eigen werk kon verrichten. Na ziekte in 2013 en herbeoordeling door het UWV werd een loongerelateerde WGA-uitkering toegekend vanwege ongeschiktheid voor haar oorspronkelijke werk en de functie medewerker A&I. Een latere herbeoordeling leidde tot beëindiging van de WIA-uitkering per 11 juli 2016 omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt werd geacht.
Appellante voerde bezwaar aan tegen het besluit, stellende dat zij geschikt was voor haar maatgevende functie, ondersteund door een psycholoog. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, oordeelde dat het UWV de beperkingen juist had vastgesteld en dat de functie medewerker A&I nog steeds veel klantencontact en conflicthantering bevatte.
In hoger beroep handhaafde de Centrale Raad van Beroep deze beoordeling. De Raad stelde vast dat appellante ongeschikt was voor de maatgevende functie en de functie medewerker A&I, mede door de aard van het werk en de beperkingen. De proefplaatsing als administratief ondersteuner werd niet als maatgevende arbeid gezien. De Raad bevestigde dat de WIA-uitkering terecht is beëindigd en wees het beroep af.
Uitkomst: De WIA-uitkering van appellante wordt terecht beëindigd omdat zij geschikt is voor passende functies en ongeschikt voor haar maatgevende functie.