ECLI:NL:CRVB:2018:1039
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellante, voormalig financieel administratief medewerkster, viel in 2008 uit wegens psychische klachten en later schouderklachten na een val. Het UWV kende haar aanvankelijk een WGA-uitkering toe, die later werd beëindigd na herbeoordeling. Een melding van toegenomen arbeidsongeschiktheid in 2014 leidde tot een nieuw onderzoek, waarbij de verzekeringsarts een licht gewijzigde belastbaarheid vaststelde en geen loonverlies concludeerde. Het UWV weigerde daarom een WIA-uitkering.
Appellante maakte bezwaar tegen deze beslissing en stelde dat haar beperkingen werden onderschat, onder meer vanwege een diagnose carpaal tunnelsyndroom. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat de medische informatie onvoldoende aanleiding gaf tot twijfel aan de beoordeling van het UWV. In hoger beroep herhaalde appellante haar standpunten en betwistte zij de passendheid van de functie machinebediende.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de medische onderzoeken zorgvuldig waren en dat de diagnose carpaal tunnelsyndroom pas na de relevante datum was gesteld, waardoor deze niet tot een andere beoordeling leidde. De functie machinebediende was niet als passend geselecteerd en werd niet als grondslag gebruikt. Het hoger beroep faalde en de eerdere uitspraak werd bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid.