ECLI:NL:CRVB:2018:1043
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering ZW- en WW-uitkering wegens gefingeerd dienstverband
Appellant had een WW-uitkering aangevraagd met de bewering dat hij van juni tot december 2013 in dienst was van een BV. Het UWV stelde na onderzoek vast dat er geen daadwerkelijk dienstverband bestond en dat de BV geen loonheffing afdroeg, wat duidt op een gefingeerd dienstverband.
De rechtbank oordeelde dat het UWV aannemelijk had gemaakt dat appellant niet werkelijk in dienst was en verklaarde het beroep ongegrond. Appellant kon geen bewijs leveren van een echte arbeidsovereenkomst of loonbetalingen en gaf tegenstrijdige verklaringen over zijn werkzaamheden.
In hoger beroep handhaafde appellant zijn standpunt, maar de Centrale Raad van Beroep onderschreef de feiten en motieven van de rechtbank. Ook het verzoek om uitstel wegens vertrouwensbreuk met zijn advocaat werd afgewezen.
De Raad concludeerde dat de intrekking en terugvordering van de ZW- en WW-uitkering terecht waren en bevestigde de eerdere uitspraak zonder toekenning van proceskosten.
Uitkomst: De intrekking en terugvordering van de ZW- en WW-uitkering zijn terecht en het hoger beroep wordt ongegrond verklaard.