ECLI:NL:CRVB:2018:1048
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Intrekking en terugvordering WW- en ZW-uitkering wegens gefingeerd dienstverband
Appellante had een WW-uitkering aangevraagd met de vermelding dat zij van oktober 2013 tot april 2014 werkzaam was bij een BV. Na een strafrechtelijk onderzoek naar mogelijke uitkeringsfraude met gefingeerde dienstverbanden, trok het UWV haar WW- en ZW-uitkeringen in en vorderde deze terug. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond en oordeelde dat er geen dienstbetrekking was tussen appellante en de BV.
In hoger beroep handhaafde appellante haar standpunt dat er wel een privaatrechtelijke dienstbetrekking bestond, onder meer met verwijzing naar haar verklaring en getuigenverklaringen. De Centrale Raad van Beroep onderschreef de overwegingen van de rechtbank en concludeerde dat appellante niet aannemelijk had gemaakt dat zij daadwerkelijk in dienst was van de BV. Zij kon geen objectieve en verifieerbare gegevens overleggen die haar stelling ondersteunden.
De Raad nam mee dat het strafrechtelijk proces-verbaal geen aanwijzingen bevatte voor onjuiste verklaringen van appellante en dat de discrepanties in loonstroken en verklaringen niet waren verklaard. Ook het ontbreken van omzet bij de BV wees op het ontbreken van daadwerkelijke werkzaamheden. De Raad bevestigde daarom de intrekking en terugvordering van de uitkeringen en wees de bezwaren van appellante af.
Uitkomst: De intrekking en terugvordering van de WW- en ZW-uitkeringen worden bevestigd wegens het ontbreken van een privaatrechtelijke dienstbetrekking.