ECLI:NL:CRVB:2018:1050
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking persoonsgebonden budget na belangenafweging door Zorgkantoor
Appellant kreeg een persoonsgebonden budget (pgb) op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz), dat door het Zorgkantoor werd ingetrokken vanwege de toepassing van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen (WSNP) op een van zijn ouders. Na bezwaar en een tussenuitspraak van de rechtbank, waarin het Zorgkantoor werd verzocht een belangenafweging te maken, werd het pgb met ingang van 17 november 2016 ingetrokken.
Appellant voerde in hoger beroep aan dat het onmogelijk en onwenselijk is om zorg in natura te ontvangen, dat er geen sprake was van vrees voor fraude, en dat het belang van voortzetting van het pgb onvoldoende was meegewogen. De Raad oordeelde dat het Zorgkantoor bevoegd was het pgb in te trekken en dat deze bevoegdheid moest worden uitgeoefend met inachtneming van de evenredige belangenafweging zoals voorgeschreven in artikel 3:4 Awb Pro.
Het Zorgkantoor had het belang van handhaving van de niet nagekomen verplichtingen laten prevaleren boven het belang van appellant, mede gelet op de financiële risico’s verbonden aan het pgb, de mogelijkheid tot zorg in natura, en de mantelzorg door ouders en familie. De Raad vond de belangenafweging redelijk en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking van het persoonsgebonden budget per 17 november 2016 na een zorgvuldige belangenafweging.