Appellant ontving vanaf 21 november 2012 een WIA-uitkering, die later werd omgezet in een WGA-loonaanvullingsuitkering. Naar aanleiding van een melding van de politie over mogelijke werkzaamheden voor een werkgever, onderzocht het Uwv de rechtmatigheid van de uitkering. Uit verklaringen van appellant aan de politie bleek dat hij werkzaamheden verrichtte, maar deze had hij niet gemeld aan het Uwv.
Het Uwv trok de uitkering per 1 september 2014 in en vorderde de onverschuldigd betaalde bedragen terug, inclusief een boete wegens het niet nakomen van de inlichtingenverplichting. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, waarbij zij het bewijs van de politieverklaringen aannemelijk achtte en oordeelde dat appellant zijn inlichtingenverplichting had geschonden.
In hoger beroep voerde appellant aan dat de politieverklaringen niet gebruikt mochten worden, dat hij niet werkte vanaf het begin van de uitkering en dat de boete disproportioneel was. De Raad stelde vast dat de eerste politieverklaringen, op ambtsbelofte opgemaakt, als betrouwbaar gelden tenzij concrete tegenbewijs wordt geleverd, wat appellant niet deed.
De Raad concludeerde dat appellant zijn werkzaamheden niet had gemeld, waardoor het recht op uitkering niet kon worden vastgesteld. Het Uwv had de uitkering terecht ingetrokken en teruggevorderd. De opgelegde boete was passend gezien de ernst en duur van de overtreding. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.