ECLI:NL:CRVB:2018:1118
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Intrekking en terugvordering WW- en ZW-uitkering wegens gefingeerd dienstverband
Appellant diende een aanvraag in voor een WW-uitkering en ontving deze vanaf 1 januari 2014. Later werd ook een ZW-uitkering toegekend. Het UWV startte een onderzoek naar mogelijke uitkeringsfraude, waarbij werd vastgesteld dat het dienstverband tussen appellant en de werkgever gefingeerd was. Dit leidde tot intrekking van de uitkeringen en terugvordering van onverschuldigd betaalde bedragen.
De rechtbank oordeelde dat appellant onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat er sprake was van een privaatrechtelijke dienstbetrekking. Verklaringen van betrokkenen en onderzoek naar de administratie van de werkgever toonden aan dat het bedrijf slechts op papier bestond en geen daadwerkelijke loonbetalingen aan appellant had plaatsgevonden.
In hoger beroep handhaafde appellant zijn standpunt, maar kon hij de authenticiteit van overgelegde salarisspecificaties niet onderbouwen. De Raad onderschreef het oordeel van de rechtbank en bevestigde de intrekking en terugvordering van de WW- en ZW-uitkeringen. Er werd geen aanleiding gezien voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking en terugvordering van de WW- en ZW-uitkering wegens het ontbreken van een daadwerkelijk dienstverband.