Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2018:242

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
25 januari 2018
Publicatiedatum
25 januari 2018
Zaaknummer
17-1591 WUBO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 40 Wubo
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Geen terugwerkende kracht toekenning Wubo-uitkeringen bij latere invaliditeit

Appellante, geboren in 1930, diende in 2005 een aanvraag in voor toekenning van uitkeringen op grond van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (Wubo), welke werd afgewezen omdat geen sprake was van blijvende invaliditeit. In 2016 diende zij een hernieuwde aanvraag in, waarbij de blijvende invaliditeit werd erkend vanaf augustus 2016, met toekenning van toeslagen en vergoedingen vanaf die datum.

Appellante maakte bezwaar tegen het besluit om geen terugwerkende kracht toe te kennen vanaf de eerste aanvraag in 2005. De Raad oordeelde dat het beleid van verweerder om de ingangsdatum te bepalen op de maand van de hernieuwde aanvraag, tenzij sprake is van een ambtelijke fout, rechtmatig is. Uit medisch advies bleek dat de psychische klachten waren toegenomen en dat de blijvende invaliditeit pas in 2016 was ontstaan.

De Raad concludeerde dat verweerder in redelijkheid heeft kunnen weigeren om de ingangsdatum eerder te stellen en verklaarde het beroep ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep tegen het besluit om geen terugwerkende kracht toe te kennen aan de Wubo-uitkeringen wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

17.1591 WUBO

Datum uitspraak: 25 januari 2018
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak in het geding tussen
Partijen:
[Appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Pensioen- en Uitkeringsraad (verweerder)
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft L.C. Luijendijk beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 15 februari 2017, kenmerk BZ011053209 (bestreden besluit). Dit betreft de toepassing van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (Wubo).
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 december 2017. Namens appellante is Luijendijk verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door
A.T.M. Vroom-van Berckel.

OVERWEGINGEN

1.1.
Appellante, geboren in 1930, heeft in januari 2005 een zogenoemde samenloop-aanvraag ingediend om toekenningen op grond van de Wubo dan wel de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945, naar gelang wat voor haar het gunstigst is. De
Wubo-aanvraag is afgewezen bij besluit van 24 juni 2005, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 6 oktober 2005. Verweerder heeft erkend dat appellante is getroffen door oorlogsgeweld als bedoeld in de Wubo. Tot toekenningen heeft dit echter niet geleid omdat het oorlogsgeweld bij appellante niet heeft geleid tot blijvende invaliditeit in de zin van de Wubo. Tegen het besluit van 6 oktober 2005 is geen beroep ingesteld.
1.2.1.
In augustus 2016 heeft appellante zich opnieuw tot verweerder gewend met het verzoek om toekenningen op grond van de Wubo. Bij besluit van 29 november 2016 is aanvaard dat de psychische klachten van appellante in verband staan met het oorlogsgeweld en dat deze klachten hebben geleid tot blijvende invaliditeit in de zin van de Wubo. Met ingang van
1 augustus 2016 zijn aan appellante toegekend de toeslag ter verbetering van de levensomstandigheden, een vergoeding voor huishoudelijke hulp en een tegemoetkoming in de kosten van deelname aan het maatschappelijk verkeer. De gevraagde periodieke uitkering is afgewezen op de grond dat appellante door haar oorlogsinvaliditeit nooit werkzaamheden in beroep of bedrijf heeft moeten beëindigen.
1.2.2.
Tegen het besluit van 29 november 2016 heeft appellante bezwaar gemaakt. Appellante stelt dat aan de toekenningen terugwerkende kracht moet worden verleend en wel vanaf de datum van de eerste aanvraag. Bij het bestreden besluit is het bezwaar ongegrond verklaard op de grond dat bij appellante niet eerder dan in 2016 sprake was van blijvende invaliditeit in de zin van de Wubo.
2. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
2.1.
In overeenstemming met artikel 40, eerste lid, van de Wubo heeft verweerder de ingangsdatum van de toekenningen bepaald op de eerste dag van de maand waarin appellante de hernieuwde aanvraag heeft ingediend. Verweerder voert het beleid dat hij alleen dan gehouden is tot een vroegere datum terug te gaan als er sprake is van een hem toe te rekenen ambtelijke fout. In vaste rechtspraak heeft de Raad dit beleid aanvaard (uitspraak van
26 januari 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:330).
2.2.
In het bestreden besluit heeft verweerder te kennen gegeven geen aanleiding te zien om terugwerkende kracht te verlenen, omdat niet eerder dan in 2016 sprake was van blijvende invaliditeit. Dit kan niet voor onjuist worden gehouden. Uit het verslag van het persoonlijk onderhoud dat de geneeskundig adviseur A.J. Maas, arts, op 4 november 2016 met appellante heeft gehad, komt weliswaar naar voren dat de klachten van appellante deels vergelijkbaar zijn met de klachten zoals die in 2005 door de arts N.F. Vogel zijn beschreven, maar dat de psychische klachten zijn toegenomen. Met het toenemen van de psychische klachten is appellante zodanige beperkingen gaan ondervinden in het dagelijks functioneren dat bij haar nu wel sprake is van blijvende invaliditeit in de zin van de Wubo. Na de medische beoordeling in 2005 is bij appellante een verslechtering opgetreden. Appellante heeft aan de onder 1.2.1 genoemde aanvraag van augustus 2016 ook ten grondslag gelegd dat haar psychische gesteldheid is verslechterd. In de beschikbare (medische) gegevens ziet de Raad dan ook geen aanleiding voor twijfel aan de medische beoordeling die in 2005 heeft plaatsgehad. Verweerder heeft dan ook in redelijkheid kunnen weigeren gebruik te maken van zijn bevoegdheid om de ingangsdatum te stellen op een eerder moment dan op de eerste dag van de maand van de hernieuwde aanvraag.
2.3.
Het voorgaande brengt mee dat het bestreden besluit in rechte stand kan houden. Het beroep zal ongegrond worden verklaard.
3. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door B.J. van de Griend, in tegenwoordigheid van L.V. van Donk als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 januari 2018.
(getekend) B.J. van de Griend
(getekend) L.V. van Donk

HD