ECLI:NL:CRVB:2018:242
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Geen terugwerkende kracht toekenning Wubo-uitkeringen bij latere invaliditeit
Appellante, geboren in 1930, diende in 2005 een aanvraag in voor toekenning van uitkeringen op grond van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (Wubo), welke werd afgewezen omdat geen sprake was van blijvende invaliditeit. In 2016 diende zij een hernieuwde aanvraag in, waarbij de blijvende invaliditeit werd erkend vanaf augustus 2016, met toekenning van toeslagen en vergoedingen vanaf die datum.
Appellante maakte bezwaar tegen het besluit om geen terugwerkende kracht toe te kennen vanaf de eerste aanvraag in 2005. De Raad oordeelde dat het beleid van verweerder om de ingangsdatum te bepalen op de maand van de hernieuwde aanvraag, tenzij sprake is van een ambtelijke fout, rechtmatig is. Uit medisch advies bleek dat de psychische klachten waren toegenomen en dat de blijvende invaliditeit pas in 2016 was ontstaan.
De Raad concludeerde dat verweerder in redelijkheid heeft kunnen weigeren om de ingangsdatum eerder te stellen en verklaarde het beroep ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen het besluit om geen terugwerkende kracht toe te kennen aan de Wubo-uitkeringen wordt ongegrond verklaard.