ECLI:NL:CRVB:2018:1201
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vaststelling gezamenlijke huishouding en terugvordering bijstand wegens niet-melding
Appellante ontving bijstand sinds 1996 en werd door het college van burgemeester en wethouders van Zoetermeer beschuldigd van het niet melden van een gezamenlijke huishouding met haar ex-partner [A]. Na onderzoek door de sociale recherche, inclusief bankrekeninganalyse, getuigenverklaringen en observaties, werd bijstand beëindigd en over een langere periode ingetrokken met terugvordering van kosten.
De rechtbank verklaarde de beroepen ongegrond, maar in hoger beroep oordeelde de Centrale Raad van Beroep dat er onvoldoende feitelijke grondslag was voor de intrekking en terugvordering over de perioden 9 oktober 2013 tot 31 maart 2015 en 1 augustus tot 23 augustus 2015. Wel werd bevestigd dat appellante vanaf 4 november 2015 bijstand ten onrechte ontving omdat zij beschikte over middelen boven de norm en een gezamenlijke huishouding voerde zonder melding.
De Raad vernietigde het intrekkings- en terugvorderingsbesluit voor de genoemde perioden en droeg het college op een nieuwe beslissing te nemen. Tevens werd het college veroordeeld in de proceskosten en werd appellante het betaalde griffierecht vergoed. Tegen deze uitspraak staat cassatie open bij de Hoge Raad.
Uitkomst: Besluit tot intrekking en terugvordering bijstand gedeeltelijk vernietigd wegens onvoldoende bewijs gezamenlijke huishouding, beëindiging bijstand bevestigd vanaf november 2015.