ECLI:NL:CRVB:2018:1245
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging rechtbankuitspraak over toekenning WIA-uitkering en functieschikking
Appellante, werkzaam als accountmanager, meldde zich wegens psychische klachten ziek en vroeg een WIA-uitkering aan. Het UWV stelde aanvankelijk vast dat zij niet in aanmerking kwam vanwege een nieuwe wachttijd, maar na beëindiging van haar Ziektewetuitkering werd haar aanvraag opnieuw beoordeeld. Medisch onderzoek leidde tot een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) en selectie van passende functies, waarop de mate van arbeidsongeschiktheid werd gebaseerd.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen de toekenning van de loongerelateerde WGA-uitkering per 23 april 2014 ongegrond, maar gaf haar deels gelijk voor de WGA-vervolguitkering per 21 juli 2014 vanwege het ontbreken van een functiebeoordeling. De rechtbank vernietigde dat deel van het besluit en stelde een nieuwe uitspraak in de plaats.
In hoger beroep heeft appellante geen nieuwe medische informatie ingebracht en betoogde zij dat zij per genoemde data volledig arbeidsongeschikt was en dat de bijduiding van functies onrechtmatig was. De Centrale Raad van Beroep onderschreef het medisch oordeel en oordeelde dat de functieschikking toelaatbaar was, dat er voldoende actuele functies bestonden en dat de mate van arbeidsongeschiktheid correct was vastgesteld. De Raad bevestigde het bestreden besluit en wees het verzoek om schadevergoeding af.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de rechtbankuitspraak en wijst het verzoek om schadevergoeding af.