ECLI:NL:CRVB:2018:1266
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens ontbreken toegenomen beperkingen
Appellant was sinds 2003 werkzaam als besteller en chauffeur, maar viel in 2009 uit wegens rug-, malaise- en prostaatklachten. Na een eerdere weigering van een WIA-uitkering in 2012 wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid, meldde appellant zich in 2014 met vermeende toegenomen klachten.
Het UWV wees de aanvraag opnieuw af omdat er geen sprake was van toegenomen beperkingen met dezelfde ziekteoorzaak. De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en dat het protocol voor aspecifieke lage rugpijn correct was toegepast.
In hoger beroep stelde appellant dat er wel sprake was van toegenomen beperkingen en dat de FML moest worden aangepast. De Raad concludeerde echter dat de medische beoordeling van de verzekeringsarts bezwaar en beroep overtuigend was en dat geen nieuwe urenbeperking noodzakelijk was. Ook het verschil in diagnoses gaf geen aanleiding tot een ander oordeel.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarom de eerdere uitspraak en het besluit van het UWV, waarmee de weigering van de WIA-uitkering stand hield.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WIA-uitkering wegens het ontbreken van toegenomen beperkingen.