Uitspraak
17.2223 WLZ
9 februari 2017, 16/1604 (aangevallen uitspraak)
CIZ
mr. Van der Wal verschenen. CIZ heeft zich laten vertegenwoordigen door
mr. L.M.R. Kater en mr. I.C.J.G. van Maris-Kindt.
Centrale Raad van Beroep
Appellant, geboren in 1952, met een beneden gemiddeld intelligentieniveau en lichamelijke en psychische problematiek, vroeg om zorg op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz). Het CIZ wees de aanvraag af omdat appellant niet voldeed aan de criteria voor een Wlz-indicatie, met name omdat er geen sprake was van een blijvende behoefte aan 24 uur per dag zorg in de nabijheid.
De rechtbank Noord-Nederland verklaarde het beroep van appellant tegen dit besluit ongegrond. Appellant ging hiertegen in hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep. Hij stelde dat hij wel degelijk een verstandelijke handicap had en blijvend 24 uur per dag zorg in de nabijheid nodig had.
De Raad oordeelde dat op grond van artikel 3.2.1, eerste lid, van de Wlz alleen recht op zorg bestaat indien sprake is van een blijvende behoefte aan 24 uur per dag zorg in de nabijheid. Uit het weekschema ambulante hulpverlening bleek dat appellant niet constant zorg nodig had en in staat was buiten de ingeplande uren zelf hulp in te roepen. Hierdoor voldeed appellant niet aan de criteria voor een Wlz-indicatie.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarom het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De aanvraag voor zorg op grond van de Wlz wordt afgewezen omdat geen sprake is van een blijvende behoefte aan 24 uur per dag zorg in de nabijheid.