ECLI:NL:CRVB:2018:1360

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
8 mei 2018
Publicatiedatum
8 mei 2018
Zaaknummer
16/6623 PW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging terugvordering bij intrekking bijstand ondanks taalachterstand appellant

Appellanten ontvingen bijstand sinds 9 september 2011. Het college trok deze bijstand met terugwerkende kracht in per 21 oktober 2014 vanwege het niet melden van drie bankrekeningen, waardoor het recht op bijstand niet kon worden vastgesteld. Tegen dit intrekkingsbesluit werd geen bezwaar gemaakt, waardoor het onherroepelijk werd.

Vervolgens vorderde het college bij besluit van 1 september 2015 en gehandhaafd bij besluit van 2 februari 2016 de terugbetaling van €60.678,77 over de periode van 9 september 2011 tot en met 31 juli 2014. De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze terugvordering ongegrond en oordeelde dat de slechte beheersing van de Nederlandse taal geen reden was om het intrekkingsbesluit alsnog aan te vechten.

In hoger beroep voerden appellanten aan dat de schending van de inlichtingenverplichting nog aan de orde kon worden gesteld en dat het terugvorderingsbedrag lager had moeten zijn vanwege de late ontdekking van de bankrekeningen. De Raad verwierp deze gronden, bevestigde het oordeel van de rechtbank en wees het verzoek tot schadevergoeding af.

De Raad benadrukte dat de jurisprudentie omtrent boetes en de beoordeling van inlichtingenverplichtingen niet van toepassing is op terugvorderingen en dat het intrekkingsbesluit onherroepelijk is. Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in proceskosten.

Uitkomst: De terugvordering van ten onrechte ontvangen bijstand wordt bevestigd en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

16.6623 PW

Datum uitspraak: 8 mei 2018
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van
21 september 2016, 16/953 (aangevallen uitspraak), en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade
Partijen:
[appellant] (appellant) en [appellante] (appellante), beiden te [woonplaats]
het college van burgemeester en wethouders van Langedijk (college)
PROCESVERLOOP
Namens appellanten heeft mr. A. van Deuzen, advocaat, hoger beroep ingesteld en verzocht het college te veroordelen tot vergoeding van schade.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 maart 2018. Appellant is,
met bericht, niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door
D.M. Pereira Wong-Chung.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1.
Appellanten ontvingen sinds 9 september 2011 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand.
1.2.
Bij besluit van 21 oktober 2014 (hierna: intrekkingsbesluit) heeft het college de bijstand van appellanten met ingang van 9 september 2011 ingetrokken. Aan de besluitvorming heeft het college ten grondslag gelegd dat appellanten de inlichtingenverplichting hebben geschonden door drie bankrekeningnummers niet te melden. Hierdoor heeft het college het recht op bijstand niet kunnen vaststellen. Appellanten hebben tegen dit besluit geen rechtsmiddel aangewend.
1.3.
Naar aanleiding van het intrekkingsbesluit heeft het college bij besluit van 1 september 2015, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 2 februari 2016 (bestreden besluit), de over de periode van 9 september 2011 tot en met 31 juli 2014 gemaakte kosten van bijstand van appellanten teruggevorderd tot een bedrag van € 60.678,77. Aan de besluitvorming heeft het college ten grondslag gelegd dat de wet, anders dan de commissie voor bezwaarschriften stelt, geen ruimte biedt om met eventuele (verminderde) verwijtbaarheid rekening te houden bij terugvorderingen die voortvloeien uit het schenden van de inlichtingenverplichting.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank, samengevat, overwogen dat in het bestreden besluit voldoende is gemotiveerd waarom van het advies van de commissie voor de bezwaarschriften is afgeweken. Appellanten hebben geen rechtsmiddel ingesteld tegen het intrekkingsbesluit, zodat dit besluit onherroepelijk is geworden. Dat appellanten vanwege de slechte beheersing van de Nederlandse taal hebben verzuimd tijdig bezwaar te maken, maakt dit niet anders. Met het intrekkingsbesluit is komen vast te staan dat aan appellanten over de periode 29 september 2011 tot en met 31 juli 2014 ten onrechte bijstand is verleend. De grondslag van het intrekkingsbesluit staat niet meer ter discussie. Het college was gehouden om tot terugvordering over te gaan. De uitspraak van 3 februari 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:445, leidt niet tot een ander oordeel omdat deze ziet op een geding dat betrekking heeft op een verzoek om kwijtschelding, zoals bedoeld in de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering. In dat kader is een schending van de inlichtingenverplichting niet zonder meer een vaststaand gegeven en kan deze schending daar in volle omvang aan de orde worden gesteld. Omdat in dit geval sprake is van een verplichting tot terugvordering, is de zogeheten zesmaandenjurisprudentie niet van toepassing. In wat appellanten hebben aangevoerd zijn geen dringende redenen gelegen om van terugvordering af te zien.
3. In hoger beroep hebben appellanten zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Appellanten voeren aan dat zij vanwege de slechte beheersing van de Nederlandse taal geen bezwaar hebben gemaakt tegen de intrekking. Zij stellen dat de schending van de inlichtingenverplichting bij de terugvordering nog aan de orde kan worden gesteld en verwijzen hiervoor naar de uitspraken van 3 februari 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:445, van 24 mei 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:1947 en van 28 juni 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:3024. Voorts stellen appellanten dat het college aanleiding had moeten zien een lager terugvorderingsbedrag vast te stellen omdat het al op 6 juni 2013 bekend was met het bestaan van de bankrekeningen pas na drie jaar een heronderzoek heeft verricht, waardoor de vordering onnodig lang is opgelopen.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
De gronden die appellanten in hoger beroep hebben aangevoerd zijn nagenoeg een herhaling van wat zij in beroep hebben aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op die gronden ingegaan. De Raad kan zich geheel vinden in het oordeel van de rechtbank en in de overwegingen, zoals onder 2 weergegeven, waarop dat oordeel rust. Hij voegt daaraan toe dat het beroep van appellanten op de uitspraken van 24 mei 2016 en 28 juni 2016 niet slaagt. In deze uitspraken is geoordeeld dat een in rechte onaantastbaar besluit tot herziening of intrekking niet met zich meebrengt dat de schending van de inlichtingenverplichting met betrekking tot een opgelegde boete zonder meer een vaststaand gegeven is. In het kader van de oplegging van de boete kan de vraag of sprake is van schending van de inlichtingenverplichting in volle omvang worden beoordeeld. Dit oordeel ziet op een opgelegde boete en houdt verband met de onschuldpresumptie. In het onderhavige geval
ligt echter geen boetebesluit voor. Een beoordeling van de schending van de inlichtingenverplichting, zoals appellanten voorstaan, kan dan ook niet meer in dit geding aan de orde komen.
4.2.
Uit 4.1 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd. Gelet hierop bestaat voor een veroordeling tot vergoeding van schade geen grond. Het verzoek daartoe zal daarom worden afgewezen.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
- bevestigt de aangevallen uitspraak;
- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.
Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham, in tegenwoordigheid van C.A.E. Bon als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 mei 2018.
(getekend) A.B.J. van der Ham
(getekend) C.A.E. Bon

IJ