ECLI:NL:CRVB:2018:1360
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering bij intrekking bijstand ondanks taalachterstand appellant
Appellanten ontvingen bijstand sinds 9 september 2011. Het college trok deze bijstand met terugwerkende kracht in per 21 oktober 2014 vanwege het niet melden van drie bankrekeningen, waardoor het recht op bijstand niet kon worden vastgesteld. Tegen dit intrekkingsbesluit werd geen bezwaar gemaakt, waardoor het onherroepelijk werd.
Vervolgens vorderde het college bij besluit van 1 september 2015 en gehandhaafd bij besluit van 2 februari 2016 de terugbetaling van €60.678,77 over de periode van 9 september 2011 tot en met 31 juli 2014. De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze terugvordering ongegrond en oordeelde dat de slechte beheersing van de Nederlandse taal geen reden was om het intrekkingsbesluit alsnog aan te vechten.
In hoger beroep voerden appellanten aan dat de schending van de inlichtingenverplichting nog aan de orde kon worden gesteld en dat het terugvorderingsbedrag lager had moeten zijn vanwege de late ontdekking van de bankrekeningen. De Raad verwierp deze gronden, bevestigde het oordeel van de rechtbank en wees het verzoek tot schadevergoeding af.
De Raad benadrukte dat de jurisprudentie omtrent boetes en de beoordeling van inlichtingenverplichtingen niet van toepassing is op terugvorderingen en dat het intrekkingsbesluit onherroepelijk is. Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in proceskosten.
Uitkomst: De terugvordering van ten onrechte ontvangen bijstand wordt bevestigd en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.