ECLI:NL:CRVB:2016:1947
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.H.M. Roelofs
- E.C.R. Schut
- C. van Viegen
- Rechtspraak.nl
Intrekking en terugvordering bijstand wegens niet opgegeven werkzaamheden
Appellant ontving bijstand sinds oktober 2004. Uit onderzoek van de Dienst Werk en Inkomen (DWI) bleek dat appellant mogelijk meer uren werkte dan opgegeven. Op basis van waarnemingen in april 2014 concludeerde het college dat appellant meer werkte dan verklaard, waarna bijstand werd ingetrokken en teruggevorderd over de periode 15 april 2013 tot 30 april 2014.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, maar de Centrale Raad van Beroep oordeelt dat het college onvoldoende bewijs heeft geleverd voor de periode van 15 april 2013 tot 6 april 2014. Wel is vastgesteld dat appellant vanaf 7 april 2014 meer uren werkte dan opgegeven en de inlichtingenplicht schond.
De Raad vernietigt daarom het besluit voor het eerste deel van de periode en beveelt het college een nieuwe beslissing te nemen over de terugvordering. Tevens veroordeelt de Raad het college tot vergoeding van proceskosten en griffierechten aan appellant.
Uitkomst: Het besluit tot intrekking en terugvordering wordt vernietigd voor de periode 15 april 2013 tot en met 6 april 2014 en het college moet een nieuwe beslissing nemen over de terugvordering.