ECLI:NL:CRVB:2018:1511
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Intrekking bijstand wegens vermogen boven de vermogensgrens bevestigd
Appellante ontving sinds 2010 bijstand op grond van de Participatiewet. Het college stelde vast dat zij bij aanvang van de bijstand vermogen had dat de vermogensgrens overschreed en trok daarom de bijstand in. Na onderzoek bleek dat appellante contant geld en banksaldi bezat die niet waren opgegeven.
Het college trok de bijstand in per 16 juni 2015 wegens een vermogen van €27.791,48, wat de toen geldende vermogensgrens van €11.790,- overschreed. Appellante voerde aan dat bepaalde bedragen niet meegeteld mochten worden omdat zij niet vrij over dat geld kon beschikken.
De Raad oordeelde dat tijdens een ononderbroken bijstandsperiode slechts eenmaal een bedrag ter hoogte van de vermogensgrens kan worden vrijgelaten en dat elke vermogensaanwas daarna aan bijstandverlening in de weg staat. Appellante slaagde er niet in aannemelijk te maken dat het contante geld niet tot haar vermogen behoorde. De intrekking van de bijstand werd daarom terecht gehandhaafd.
De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De intrekking van de bijstand wegens overschrijding van de vermogensgrens wordt bevestigd.