ECLI:NL:CRVB:2008:BH0415
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.H.M. Roelofs
- A.B.J. van der Ham
- J.F. Bandringa
- Rechtspraak.nl
Geen bijstandsverlening met terugwerkende kracht wegens ontbreken bijzondere omstandigheden
Appellant vroeg bijstand aan met ingang van 15 februari 2006, aansluitend op beëindiging van zijn Ziektewetuitkering. Het College kende bijstand toe vanaf 10 oktober 2006, de datum van de aanvraag. Appellant stelde dat bijzondere omstandigheden een eerdere ingangsdatum rechtvaardigden en dat het College onvoldoende rekening hield met zijn schulden en het Europees Sociaal Handvest (ESH).
De Raad overweegt dat bijstand in beginsel niet met terugwerkende kracht wordt verleend, tenzij bijzondere omstandigheden dit rechtvaardigen. In dit geval zijn geen zodanige omstandigheden gebleken. Appellant heeft bewust afgezien van een eerdere aanvraag in afwachting van een goede afloop van de Ziektewetprocedure, wat voor zijn risico is. Ook het maken van schulden ter overbrugging vormt geen voldoende grond.
Het beroep op artikel 13 ESH Pro faalt omdat deze bepaling geen direct afdwingbaar recht op bijstand inhoudt. De passage over vermogensruimte in het besluit is informatief en niet rechtsgevolg hebbend. De Raad bevestigt de uitspraak van de rechtbank en wijst het hoger beroep af.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de bijstand wordt niet met terugwerkende kracht toegekend.