ECLI:NL:CRVB:2018:161
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling afwijzing Wajong-uitkering na zorgvuldig medisch onderzoek
Appellante diende op 3 maart 2014 een aanvraag in voor een Wajong-uitkering, welke door het UWV werd afgewezen omdat zij naar oordeel van het UWV in staat was meer dan 75% van haar maatmaninkomen te verdienen. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, waarbij werd geoordeeld dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en dat de beperkingen van appellante voldoende waren meegenomen in de functionele mogelijkhedenlijst (FML).
In hoger beroep voerde appellante aan dat haar medische klachten werden onderschat en dat er ten onrechte geen deskundigenonderzoek was gelast. Zij overlegde een rapport van een door haar ingeschakelde verzekeringsarts die meer beperkingen stelde dan het UWV had vastgesteld. Het UWV handhaafde haar standpunt.
De Raad toetste het oordeel van de rechtbank en onderschreef dat het onderzoek van de verzekeringsartsen zorgvuldig en voldoende uitgebreid was geweest. De Raad concludeerde dat het rapport van de door appellante ingeschakelde verzekeringsarts onvoldoende onderbouwing bood voor meer beperkingen en dat de FML van 10 maart 2014 een juiste weergave was van haar beperkingen per 23 juni 2014.
Verder werd vastgesteld dat appellante in staat was de geselecteerde functies te vervullen met inachtneming van haar beperkingen. Het hoger beroep werd afgewezen en het verzoek om schadevergoeding werd eveneens afgewezen.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de afwijzing van de Wajong-uitkering bevestigd.