ECLI:NL:CRVB:2018:1619
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging boete wegens opzettelijke schending inlichtingenverplichting bij samenwoning
Appellant ontving sinds mei 2011 bijstand als alleenstaande. Het college stelde vast dat appellant sinds september 2012 een gezamenlijke huishouding voerde en trok de bijstand in, met terugvordering van €25.321,58. Daarnaast legde het college een boete op wegens schending van de inlichtingenverplichting, aanvankelijk €11.375,23, later verlaagd tot €2.250,-.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant gegrond en beval herbeoordeling van de boete op evenredigheid. In hoger beroep bevestigt de Raad dat appellant vanaf 1 augustus 2014 bewust koos om samen te wonen en dit niet meldde, ondanks huisbezoek en gesprekken waarbij hij onjuiste verklaringen gaf. Dit leidt tot de conclusie dat sprake is van opzet.
De Raad laat de periode van september 2012 tot augustus 2014 buiten beschouwing omdat een langere periode geen hogere boete oplevert gezien de draagkracht. Het beroep wordt ongegrond verklaard en de boete van €2.250,- blijft gehandhaafd.
Uitkomst: De boete van €2.250,- wegens opzettelijke schending van de inlichtingenverplichting wordt bevestigd.