Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2018:162

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
19 januari 2018
Publicatiedatum
19 januari 2018
Zaaknummer
15/8582 ANW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 1 Eerste Protocol EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Geen volledige terugwerkende kracht bij herstel ANW-uitkering na wijziging woonlandfactor

Appellante ontving een ANW-uitkering die vanaf 1 januari 2013 werd aangepast met toepassing van de woonlandfactor. Zij maakte hiertegen geen tijdig bezwaar. Later oordeelde de Raad dat de toepassing van de woonlandfactor voor nabestaanden in Turkije in strijd was met het Associatierecht. Naar aanleiding hiervan herstelde de Sociale verzekeringsbank de uitkering vanaf 1 maart 2014.

Appellante vorderde echter dat dit herstel met terugwerkende kracht vanaf 1 januari 2013 zou plaatsvinden. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het eerdere besluit van 11 december 2012 in rechte vaststaat omdat het bezwaar niet-ontvankelijk was verklaard en er geen rechtsmiddelen tegen zijn ingesteld.

De Raad benadrukte dat er geen wettelijke verplichting bestaat om een eerder onaantastbaar geworden besluit ambtshalve met volledige terugwerkende kracht te herzien. Ook werd geoordeeld dat het fair play-beginsel en het EVRM niet zijn geschonden, mede omdat appellante de mogelijkheid had bezwaar te maken en beroep in te stellen. De rechtbank had het beroep ongegrond verklaard en deze uitspraak werd bevestigd.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de herziening van de ANW-uitkering niet met volledige terugwerkende kracht kan plaatsvinden.

Uitspraak

15/8582 ANW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van
1 december 2015, 15/1201 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellante] te [woonplaats], Turkije (appellante)
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)
Datum uitspraak: 19 januari 2018
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. N. Türkkol, advocaat, hoger beroep ingesteld.
De Svb heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 december 2017. Namens appellante is
mr. Türkkol verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door
drs. W. van den Berg.

OVERWEGINGEN

1.1.
Appellante was al voor 1 juli 2012 in het genot van een uitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet (ANW). Vanaf 1 januari 2013 is de hoogte van deze uitkering vastgesteld met toepassing van de zogenaamde woonlandfactor. Tegen het besluit van de Svb van 11 december 2012 waarin dit aan haar is medegedeeld, heeft appellante niet tijdig bezwaar gemaakt. Tegen het besluit waarin het bezwaar niet-ontvankelijk is verklaard, heeft appellante geen rechtsmiddelen aangewend.
1.2.
De Raad heeft op 21 maart 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:845, uitgesproken dat de toepassing van het woonlandbeginsel op nabestaanden woonachtig in Turkije in strijd is met het Associatierecht tussen Turkije en de Europese Unie. Op 9 mei 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:1466, is de Raad tot het oordeel gekomen dat de toepassing van deze factor op nabestaanden woonachtig in Marokko in strijd is met het Algemeen verdrag inzake sociale zekerheid tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk Marokko (NMV).
1.3.
Naar aanleiding van deze uitspraken heeft de Svb ambtshalve op 15 augustus 2014 een besluit genomen waarbij aan appellante is medegedeeld dat zij met ingang van 1 maart 2014 weer een volledige ANW-uitkering zal ontvangen. Met een besluit van 19 januari 2015 (bestreden besluit) is het bezwaar tegen het besluit van 15 augustus 2014 ongegrond verklaard.
2. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
3. Appellante is van mening dat het herstel van de volledige ANW-uitkering met ingang van
1 januari 2013 dient plaats te vinden. In dit geding is dus in essentie de vraag aan de orde of de Svb gehouden is de herziening van het besluit van 11 december 2012 eerder dan op
1 maart 2014 te laten ingaan. Appellante heeft zich beroepen op een schending van het fair play beginsel in combinatie met artikel 6 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en op een schending van artikel 1 van Pro het Eerste Protocol bij het EVRM (Eerste Protocol). Zij heeft daarbij ook verwezen naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 18 november 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3578.
4.1.
Als uitgangspunt dient te gelden dat het besluit van 11 december 2012 in rechte vaststaat, nu het bezwaar hiertegen niet-ontvankelijk is verklaard en daartegen geen rechtsmiddel is aangewend. Met juistheid heeft de rechtbank vastgesteld dat geen rechtsregel of -norm valt aan te wijzen die de Svb verplicht om naar aanleiding van rechtspraak ambtshalve een eerder genomen, in rechte onaantastbaar geworden, besluit te herzien met volledig terugwerkende kracht.
4.2.
In de uitspraak van 21 oktober 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:4148, heeft de Raad al geoordeeld over een met dit geding vergelijkbare zaak. De in dit geding namens appellante genoemde argumenten geven geen aanleiding tot een ander oordeel te komen. De uitspraak van de Afdeling ziet op een geheel ander onderwerp, waarbij geen sprake is van herziening van een in rechte vaststaand besluit. Van schending van artikel 1 van Pro het Eerste Protocol is geen sprake, nu aan appellante met het bestreden besluit juist een hogere uitkering is toegekend dat zij daarvoor ontving. Appellante heeft de mogelijkheid gehad tijdig bezwaar te maken, dan wel beroep in te stellen tegen het besluit op bezwaar waarin haar bezwaar
niet-ontvankelijk is verklaard. Dat zij dit niet heeft gedaan, komt voor haar rekening en risico.
4.3.
Uit 4.1 en 4.2 volgt dat de rechtbank terecht en op juiste gronden het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond heeft verklaard. De aangevallen uitspraak zal dan ook worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door M.M. van der Kade, in tegenwoordigheid van H. Achtot als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 januari 2018.
(getekend) M.M. van der Kade
(getekend) H. Achtot

RB