ECLI:NL:CRVB:2018:1673
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit UWV wegens onvoldoende motivering arbeidsongeschiktheid WIA
De zaak betreft het hoger beroep van appellant tegen het besluit van het UWV om geen WIA-uitkering toe te kennen per 25 juni 2012. De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat het UWV het motiveringsgebrek dat in een eerdere tussenuitspraak was vastgesteld niet heeft hersteld. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft onvoldoende onderbouwd dat de toegenomen arbeidsongeschiktheid voortkomt uit een andere ziekteoorzaak dan de eerder vastgestelde lichamelijke klachten.
Appellant heeft sinds 2008 psychische klachten, waaronder PTSS, die in 2012 duidelijk zijn toegenomen. Uit medische rapporten blijkt dat deze klachten niet eerder waren geobjectiveerd, maar wel een andere ziekteoorzaak vormen dan de rug- en zenuwklachten waarop het oorspronkelijke besluit was gebaseerd. Het UWV heeft ten onrechte de toegenomen beperkingen niet vastgesteld volgens de juiste wettelijke bepalingen.
De Raad vernietigt het bestreden besluit en de aangevallen uitspraak, en beveelt het UWV een nieuwe beslissing te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Tevens wordt het UWV veroordeeld in de proceskosten van appellant en wordt bepaald dat tegen de nieuwe beslissing alleen beroep bij de Raad kan worden ingesteld.
Uitkomst: Het besluit van het UWV wordt vernietigd wegens onvoldoende motivering en het UWV wordt opgedragen een nieuwe beslissing te nemen.