Betrokkene was werkzaam als stratenmaker en meldde zich ziek met diverse lichamelijke en psychische klachten. Het UWV stelde de arbeidsongeschiktheid vast op 40,53% per 21 september 2015 na medisch en arbeidskundig onderzoek. De rechtbank bevestigde deze vaststelling en wees het verzoek tot vergoeding van kosten van arbeidsdeskundige rapporten af.
In hoger beroep betwistte betrokkene de mate van arbeidsongeschiktheid en stelde dat zijn beperkingen groter waren, mede door een elleboogoperatie na de peildatum. Werkgever voerde aan dat bepaalde functies ten onrechte niet waren meegenomen en dat de kosten van de arbeidsdeskundige rapporten vergoed moesten worden.
De Raad oordeelde dat de vaststelling van het UWV juist was en dat de rechtbank onterecht de vergoeding van de kosten van de rapporten van de registerarbeidsdeskundige had afgewezen. De Raad vernietigde dit onderdeel van het vonnis en veroordeelde het UWV tot vergoeding van de proceskosten en de kosten van de rapporten, zonder verhoging met omzetbelasting omdat werkgever deze als voorbelasting kan aftrekken.
De overige bezwaren van werkgever over de functiekeuze werden verworpen, waarbij de Raad de medische geschiktheid en functie-eisen nauwkeurig toetste. De uitspraak werd gedaan door een meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 7 juni 2018.