Uitspraak
OVERWEGINGEN
,
Centrale Raad van Beroep
Appellante was sinds 2001 werkzaam bij de gemeente Den Haag en meldde zich in 2013 ziek met psychische klachten. Na onderzoek door bedrijfsarts en arbeidsdeskundige bleek haar eigen werk niet passend, waarna een re-integratietraject in eerste en tweede spoor werd gestart. Ondanks begeleiding en een proefplaatsing kon geen passend werk worden gevonden vanwege haar beperkingen en frequente ziekte-uitval.
Het UWV stelde in mei 2016 vast dat het college voldoende herplaatsingsinspanningen had verricht en dat appellante minder dan 35% arbeidsongeschikt was, waarna haar WIA-uitkering werd ingetrokken. Het college verleende daarop eervol ontslag wegens langdurige gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid. De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond.
In hoger beroep voerde appellante aan dat het college onvoldoende had gedaan om passend werk aan te bieden, maar de Raad volgde dit niet. De Raad oordeelde dat het herplaatsingsonderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en dat het college niet verplicht was de proefplaatsing te verlengen gezien de vele ziekteverzuimdagen. Ook was er geen concreet zicht op herstel ten tijde van het besluit.
De Raad vond geen aanwijzingen dat het re-integratietraject was gericht op beëindiging van het dienstverband en bevestigde het oordeel van de rechtbank dat het college in redelijkheid gebruik had gemaakt van zijn ontslagbevoegdheid. Het hoger beroep werd afgewezen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt het ontslag wegens gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid na voldoende herplaatsingsinspanningen.