ECLI:NL:CRVB:2018:180
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging toekenning militair invaliditeitspensioen bij verergerend dienstverband
Appellant, een militair die in 1979-1980 en 1983 naar Libanon was uitgezonden, verzocht in 2013 om een militair invaliditeitspensioen voor een angststoornis. De staatssecretaris wees het verzoek aanvankelijk af wegens het ontbreken van een dienstverband voor de aandoening. Na bezwaar en een psychiatrisch rapport waarin PTSS werd vastgesteld, kende de staatssecretaris een verergerend dienstverband toe en een pensioen van 20,42% invaliditeit.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond, waarna appellant hoger beroep instelde. De Raad oordeelde dat het PTSS Protocol als grondslag voor het besluit terecht werd gebruikt, dat sprake was van een verergerend en niet oorzakelijk dienstverband, en dat de toekenning van klasse 0 voor seksuele beperkingen juist was vanwege het ontbreken van behandeling. Ook werd geen eindtoestand aangenomen omdat behandeling nog niet was afgerond.
Ten slotte wees de Raad het verzoek tot vergoeding van de kosten van het deskundigenrapport af, omdat de wetgever een exclusieve regeling voor kostenvergoeding in bezwaar heeft vastgesteld en appellant geen verzoek tot vergoeding had ingediend tijdens de bezwaarprocedure. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de toekenning van een militair invaliditeitspensioen van 20,42% bij verergerend dienstverband bevestigd.