ECLI:NL:CRVB:2018:1857
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging boete voor weigering verplichte zorgverzekering zonder schending redelijke termijn
Appellant werd door het CAK schriftelijk aangemaand om binnen drie maanden een zorgverzekering af te sluiten. Na het uitblijven hiervan legde het CAK een boete van €351,99 op. Appellant maakte bezwaar tegen deze boete, dat ongegrond werd verklaard. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant eveneens ongegrond en stelde vast dat appellant niet binnen de gestelde termijn een zorgverzekering had afgesloten.
In hoger beroep voerde appellant aan dat de verzekeringsplicht in strijd is met zijn individuele vrijheid en diverse internationale rechtsbepalingen, waaronder artikelen van het EVRM en het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. Tevens stelde hij dat sprake was van onrechtmatige staatssteun en dat de redelijke termijn was overschreden.
De Raad verwierp deze gronden. Hij onderschreef de eerdere overwegingen dat de verzekeringsplicht rechtmatig is en niet in strijd met de genoemde internationale bepalingen. Ook oordeelde de Raad dat appellant geen belanghebbende is bij de toepassing van artikel 107 en Pro 108 VWEU over staatssteun. Verder concludeerde de Raad dat de redelijke termijn niet was overschreden aangezien de procedure binnen vier jaar was afgerond.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De boete wegens het niet tijdig afsluiten van een verplichte zorgverzekering wordt bevestigd zonder schending van de redelijke termijn.