Uitspraak
17.3019 PW
OVERWEGINGEN
BESLISSING
aangevochten;
- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.
Centrale Raad van Beroep
Appellant ontving sinds september 2014 bijstand en werkte volgens een arbeidsovereenkomst minimaal vier uur per week in het café van zijn moeder. Hoewel hij op inkomstenformulieren aangaf geen inkomsten te hebben, bleek uit onderzoek dat hij wel werkzaamheden verrichtte, zoals klusjes in het café, zonder salaris. Het college trok de bijstand in, vorderde de kosten terug en legde een boete op wegens schending van de inlichtingenverplichting.
De rechtbank oordeelde dat appellant op geld waardeerbare werkzaamheden verrichtte en daarmee de inlichtingenverplichting had geschonden. De boete werd echter gematigd vanwege onvoldoende draagkrachtsonderzoek. In hoger beroep voerde appellant aan geen werkzaamheden te hebben verricht, wat de Raad verwierp. Ook persoonlijke omstandigheden en het feit dat appellant geen bijstand meer aanvroeg, rechtvaardigden geen verdere matiging van de boete.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarom de intrekking, terugvordering en de boete van €842,-. Het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen. De uitspraak werd gedaan op 26 juni 2018 door een meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt intrekking bijstand, terugvordering en boete van €842,- wegens niet melden werkzaamheden.