ECLI:NL:CRVB:2017:1116
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevoegdheid bewindvoerder en appellant bij beroep tegen intrekking en terugvordering bijstand en boete
Appellant ontving bijstand en was onder schuldsaneringsregeling geplaatst met een bewindvoerder. Het college van burgemeester en wethouders van Schiedam trok bijstand in en vorderde terugbetaling over een periode na de schuldsaneringsuitspraak, en legde een boete op wegens schending van de inlichtingenplicht over zijn woonsituatie.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant niet-ontvankelijk omdat hij geen machtiging van de bewindvoerder had. Appellant stelde in hoger beroep dat hij zelf bevoegd is beroep in te stellen over de nieuwe schulden die na de schuldsaneringsuitspraak zijn ontstaan en dat hem onterecht de toegang tot de rechter werd onthouden.
De Raad oordeelde dat de rechtbank ten onrechte artikel 8:21 Awb Pro toepaste in plaats van artikel 8:22 Awb Pro in samenhang met bepalingen uit de Faillissementswet. De Raad stelde dat appellant zelf bevoegd is beroep in te stellen tegen besluiten die geen betrekking hebben op de saneringsboedel, waaronder de intrekking en terugvordering over de periode na de schuldsaneringsuitspraak en de boete.
De Raad vernietigde het vonnis van de rechtbank, verklaarde het beroep gegrond, stelde de boete vast op een lager bedrag van €1.179,34 op basis van fictieve draagkracht, en veroordeelde het college in de kosten van appellant. De zaak werd inhoudelijk door de Raad zelf afgedaan.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep verklaart het beroep gegrond, stelt de boete vast op €1.179,34 en veroordeelt het college in de kosten van appellant.