ECLI:NL:CRVB:2018:1906
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering bijstand wegens niet-gemelde bankinkomsten
Appellant ontvangt sinds 2005 bijstand en werd in het kader van een heronderzoek geconfronteerd met bijschrijvingen op zijn bankrekeningen, waaronder maandelijkse bedragen van zijn moeder en andere familieleden. Het college besloot de bijstand over de periode augustus 2014 tot augustus 2015 te herzien en een bedrag van € 3.732,53 terug te vorderen wegens niet-gemelde inkomsten.
Appellant voerde aan dat de bedragen onkostenvergoedingen waren voor mantelzorg en vriendendiensten, en dat hij geen winst had gemaakt. Hij stelde dat de bedragen voor wijnaankopen en eenmalige websitewerkzaamheden geen inkomsten waren. De rechtbank verklaarde het bezwaar ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigde deze uitspraak.
De Raad oordeelde dat appellant onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat de bijschrijvingen geen inkomsten waren. De enkele verklaring van zijn moeder was niet verifieerbaar en de bankafschriften boden geen inzicht in de bestedingen. Ook de overige stellingen werden niet onderbouwd met objectieve gegevens. Daarom was de terugvordering terecht en werd het hoger beroep afgewezen.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de terugvordering van € 3.732,53 bijstand wegens niet-gemelde inkomsten.